Het dorpshuis als huiskamer
Drie ochtenden per week staat de koffie klaar voor wie wil aanschuiven. Zonder programma, zonder aanmelding.
Er is geen thema, geen spreker en geen lijst. Om half tien gaat de deur open, om twaalf uur weer dicht, en daartussen zitten er meestal tussen de tien en dertig mensen aan de lange tafel.
Dat klinkt te simpel om een initiatief te heten. Toch is het in vier jaar tijd uitgegroeid tot de best bezochte activiteit van het dorpshuis.
“Zodra je er een programma van maakt, komen er twintig mensen minder.”
— Trijntje Veenstra, vrijwilliger
Waarom er niets wordt georganiseerd
Het bestuur probeerde het in het begin anders: met een spreker, een thema, een aanmeldlijst. Dat trok twaalf mensen, steeds dezelfde twaalf.
“Een activiteit is een drempel”, zegt vrijwilliger Trijntje Veenstra. “Je moet weten waar het over gaat en of het iets voor je is. Koffie is geen drempel. Je komt of je komt niet.”
Wie er komt
De samenstelling is breder dan verwacht: ouderen die alleen wonen, ouders na het wegbrengen van de kinderen, mensen die thuiswerken en een paar mensen die een moeilijke periode doormaken.
Die laatste groep is precies de reden dat er altijd twee vrijwilligers staan in plaats van één. “Soms wil iemand iets kwijt. Dan moet er iemand kunnen zitten zonder dat de koffie stilvalt.”
Wat het kost
De koffie is gratis, de pot met muntjes ernaast levert genoeg op om de bonen te betalen. De huur van de zaal wordt op die ochtenden kwijtgescholden door het bestuur.
Daarmee kost het initiatief vrijwel niets in geld en vooral iets in menskracht: zes vrijwilligers, elk één ochtend per twee weken.
Wat het oplevert
Er is geen meting en die komt er ook niet. Wel zijn er twee keer zorgen doorgegeven aan de wijkverpleegkundige, ontstonden er drie vaste wandelgroepjes en vond een nieuwkomer via de tafel een baan.
“Als je dit moet verantwoorden met cijfers, houdt het op”, zegt Veenstra. “Sommige dingen doe je omdat ze duidelijk goed zijn. Niet alles hoeft een project te worden.”
